De impact van klimaatverandering begrijpen? Meten, meten en nog meer meten!

Weerstation

“De klimaatverandering is een globaal probleem. Maar als je de impact ervan echt wil kennen, moet je lokale data hebben.” Dat zeggen meteoroloog Steven Caluwaerts en bio-ingenieur Pieter De Frenne. Ze doen beiden onderzoek naar microklimaat, zij het met een ander vertrekpunt. “Eigenlijk zijn we heel complementair bezig. We zouden vaker moeten afspreken!”

Voor beiden geldt alleszins: meten is weten. Professor Steven Caluwaerts (faculteit Wetenschappen en KMI) zette het VLINDER-project op poten, ‘VLaanderen IN De weER’. Meer dan zeventig weerstations, verspreid over diverse locaties in Vlaanderen, leveren een constante stroom aan weerdata op. Het doel: de relatie tussen omgeving en microklimaat blootleggen.

Professor Pieter De Frenne (labo Bos & Natuur, faculteit Bio-ingenieurswetenschappen) werkte mee aan het algoritme dat gebruikt wordt voor het Curieuzeneuzen in de Tuin-project. Hij focust zich met zijn onderzoeksgroep op de impact van klimaatverandering op de biodiversiteit in bossen, op basis van weersensoren in bossen.

Steven, in jouw onderzoek kwam onder andere het hitte-eilandeffect naar boven: op sommige plaatsen in de stad is het ‘s nachts zo’n 5 à 6 graden warmer dan buiten de stad?

Steven: “Met zelfs een uitschieter tot tien graden in Brussel. Die hitte is niet gezond. Vorig jaar waren er tijdens de hittegolf in augustus bijna 1.500 extra overlijdens in ons land. Het is interessant als onderzoeker om in kaart te brengen wat de impact is van de omgeving op het klimaat. Maar ook naar beleidsmakers toe is dit nuttig, zij kunnen hier rekening mee houden bij bepaalde beslissingen.”

Volg de VLINDER-data live

Benieuwd of er een VLINDER-weerstation bij jou in de buurt staat? Via het dashboard kan je alle data die de stations verzamelen live volgen.

Pieter: “Er verscheen net nog een artikel in Nature Climate Change dat stelt dat tijdens de hittegolven tussen 1991 en 2018, 37% van de overlijdens door hitte wereldwijd te wijten is aan de klimaatopwarming. Onder andere dus door dat stedelijk hitte-eiland. Zoals Steven zegt: daar kan je het beleid op afstemmen, bij de inplanning van bejaardentehuizen of crèches bijvoorbeeld.”

Pieter, jij ziet een gelijkaardig effect van bossen op de temperatuur?

Pieter: “Inderdaad, op warme dagen kan het in een dichtbegroeid bos zo’n acht graden koeler zijn dan buiten het bos. We zien overal in Europese bossen een verandering van vegetatie door de opwarming en de langere droogteperiodes. Maar we hebben nu gemerkt dat bossen ook een buffer kunnen vormen tegen die verandering. In dichte bossen is de temperatuur de afgelopen dertig jaar veel minder gewijzigd dan erbuiten. En dus is ook de vegetatie minder veranderd.”

Pieter De Frenne
"Op warme dagen kan het in een dichtbegroeid bos zo’n acht graden koeler zijn dan buiten het bos."
Pieter De Frenne
33-67

Beide bevindingen komen er omdat jullie op lokaal niveau data verzamelen. Wat is het belang daarvan in klimaatonderzoek?

Steven: “De weerstations van de KMI’s van deze wereld zijn heel nauwkeurig, maar ze staan nagenoeg allemaal in open en landelijke omgevingen. Het stedelijk hitte-eiland kan je daarmee niet waarnemen, we weten er eigenlijk nog altijd weinig over. Terwijl de meeste mensen wel in de stad wonen en het economisch leven zich daar volop afspeelt. Met VLINDER meten we op plaatsen waar we nog te weinig informatie over hebben. We hebben nu een meetstation in de Dijle in Mechelen en ook één aan de Watersportbaan in Gent. Die data laten toe om in kaart te brengen welke impact omgevingsfactoren hebben op temperatuur. De vele gebouwen in de stad duwen de temperatuur omhoog. Terwijl groen en water een milderend effect hebben op temperatuur. In een stadspark is het enkele graden koeler dan elders in de stad. Dat soort data is vrij uniek in de wereld.”

Pieter: “Als je wil weten hoe een plant reageert op de temperatuur, dan moet je de temperatuur kunnen meten die die plant ervaart. In het bos dus. De temperatuur die in Ukkel gemeten wordt, is niet representatief voor een bos in het Leuvense bijvoorbeeld. Veel mensen beseffen het niet, maar als het over de klimaatopwarming gaat, dan gebruiken we metingen die nooit in bosgebied gebeurden. Voor het onderzoek naar biodiversiteit in bossen zijn die metingen minder bruikbaar.”

Dat verhindert een goed begrip van het klimaat nu, maar ook in de toekomst?

Pieter: “De meeste voorspellingen gaan ervan uit dat het verspreidingsgebied van de helft van de vegetatie tegen het einde van de eeuw sterk gereduceerd zal zijn. Door de klimaatopwarming. Maar zoals ik al aangaf: die projecties vertrekken van data van de grote weerstations in open gebied. De data van de lokale meetstations geven een ander beeld. Er zijn aanwijzingen dat de verschuivingen er anders zullen uitzien. Volgens mij is de volgende stap dat instituten zoals het KMI gaan inzetten op weerstations op gevarieerde locaties, met andere vegetatie of topografie. We hebben trouwens ook aangetoond dat het voor een land als België dan niet over miljoenen stations gaat, met een 150-tal kom je al een heel eind.”

Steven: “Ik volg Pieter 100%: het is belangrijk dat we op heel diverse plaatsen meten. Dat besef begint ook steeds meer door te dringen. Het zou bijvoorbeeld interessant zijn mocht het VLINDER-project nog honderd jaar bestaan. Zulke meetreeksen van lokale plekken heb je nodig. De klimaatverandering is een globaal probleem. Wat op de Noordpool gebeurt, heeft gevolgen voor de hele planeet. Dus je moet met globale modellen werken. Maar om de impact hier te onderzoeken, moet je informatie op kleinere schaal hebben. Voor een bepaalde regio vertrekken we vanuit de data die we uit de globale modellen halen en die koppelen we aan de regionale klimaatmodellen. En om die modellen te verfijnen, hebben we data zoals die van VLINDER nodig.”

"De samenwerking met scholen en burgers is onbetaalbaar. We zouden nooit kunnen doen wat we nu doen zonder hen.”
Steven Caluwaerts
Steven Caluwaerts
67-33

Het VLINDER-project startte als een samenwerking met secundaire scholen, het Curieuzeneuzen-project maakt gebruik van sensoren in tuinen van burgers. Hoe belangrijk is die samenwerking met niet-wetenschappers voor dergelijk klimaatonderzoek?

Steven: “Het is onbetaalbaar. Een vereiste om mee te werken aan het project was dat scholen zelf een goede locatie zochten. Wij selecteerden er dan de beste uit, om een zo goed mogelijke mix te bekomen. Als team van onderzoekers alleen op zoek gaan naar al die locaties lukt gewoon niet. Zeker omdat je er ook af en toe zou moeten langsgaan om alles te controleren. We zouden nooit kunnen doen wat we nu doen zonder die samenwerking.”

Leer meer over weer

Heb je als school interesse om aan de slag te gaan met het materiaal rond het VLINDER-project? Je vindt alle informatie via de leerpaden.

Pieter: “Voor het netwerk aan sensoren is dat hetzelfde verhaal: begin maar eens 4.000 plekken te zoeken waar je ze kunt plaatsen. Maar het werkt ook in de andere richting. Het helpt mensen meer bewust nadenken over klimaat en biodiversiteit.”

Steven: “Absoluut. Ook bij VLINDER zien we dat. Scholen kunnen aan de slag met iets concreet om het te hebben over het weer, klimaat,... En het leuke is dat ook technische scholen heel veel interesse toonden, omdat ze de weerstations zelf moesten bouwen. Het bleef dus niet beperkt tot enkel ASO-onderwijs. Zonder al die gemotiveerde leerkrachten was dit project onmogelijk.”

Wat brengt de toekomst voor jullie onderzoek?

Steven: “Ik hoop dat we nog een aantal jaar data kunnen verzamelen met het VLINDER-project. Het is de bedoeling om weersvoorspellingen nauwkeuriger te maken. Er is nu een project bij het KMI om het weermodel op een zeer hoge resolutie te testen. Kort gezegd: bij een weermodel verdelen we België in allemaal vakjes waarin we het weer berekenen. Vandaag meten die vakjes 1,3 km op 1,3 km, maar bij dit project gaan we die verkleinen tot 700 vierkante meter. Het laat toe om meer detail in rekening te brengen en hopelijk een betere weersvoorspelling te maken. Aan de hand van onze data kunnen we die voorspellingen evalueren en verfijnen. En er is nog heel veel onderzoek mogelijk op basis van de data die we al hebben. Een aantal thesisstudenten is bezig met berekeningen over de hittestress van augustus 2020. Hoe groot was het verschil tussen stad en platteland, de impact van een stadspark, een meer, ...”

Steven Caluwaerts en Pieter De Frenne
67-33

Pieter: “Voor ons is het ultieme doel het beheer en beleid rond bossen te verbeteren. Beleidsmakers bewust maken van hun rol, dat ze het microklimaat kunnen sturen en zelf bepalen. Door de keuze van boomsoorten, het randenbeheer van de bossen, kan je het microklimaat en de impact van klimaatverandering gigantisch beïnvloeden. Zeker met de veranderingen die op ons afkomen op vlak van klimaat, is dat heel erg relevant. En we doen volop voort met het SoilTemp-project. Dat is een wereldwijd netwerk van bodemweerstations. Die metingen worden samengebracht, om voornamelijk biodiversiteitsonderzoekers de juiste temperatuurdata aan te bieden. Dat gebeurt via het algoritme dat ook het ‘Curieuzeneuzen in de Tuin’-project gebruikt, door het internationaal in te zetten.”

Misschien zit er nog een samenwerking in, gezien de vele raakvlakken die er zijn tussen jullie onderzoek?

Steven: “Ik denk dat het heel erg complementair is. De metingen die wij doen in bossen bijvoorbeeld, vinden we moeilijk te interpreteren, want geen twee bossen zijn hetzelfde. Dat is net het domein van Pieter en zijn onderzoeksgroep.”

Pieter: “En wij zijn als bio-ingenieurs minder sterk in het meteorologische. Alleen al naar welke sensor je het beste gebruikt om de temperatuur te meten in een bos, is het soms al even zoeken. Meteorologen weten daar gewoon veel meer over.”

Steven: “Eigenlijk zouden wij vaker moeten afspreken!” (lacht)

Aandacht voor microklimaat in het bos al van in de kleuterklas

De onderzoekers van het FORMICA-team lanceerden een educatief pakket voor kleuters: ‘Dromen over bomen’. Daarmee willen ze leerkrachten uit het kleuteronderwijs de mogelijkheid geven om te werken rond het thema bossen en hun microklimaat.

Het pakket kan je in de klas gebruiken, maar je kan er ook echt mee aan de slag in het bos. Zo koppelen de kleuters de inhoud van de activiteiten aan hun eigen ervaringen. Met deze bundel hoopt het team het onderwerp tastbaar te maken voor jonge kinderen, hun interesse voor het bos aan te wakkeren en hen te stimuleren om op onderzoek uit te gaan.

Lees ook

Wat doen studentenvertegenwoordigers voor jou?

Saïd Mabrouk

Groenten die hoger mikken: de toekomst van de stadstuinbouw begint in Roeselare

Agrotopia

Bestaand medicijn kan oplossing zijn voor ‘onbehandelbare’ tumoren

Desmoide tumor

Eén richting, meerdere wegen: burgerlijk ingenieur

Brigitte